In het kort :
1e positie..veel gebruikt in volksmuziek/country . Met tongslag /tongblok heb je een mooie mix van ( onderin) de akkoorden en in het midden en bovenin de melodie partij/solo. Veel blaasnoten en een makkelijk, intuitief gebruik van de do-re-mi enz toonladder tussen opening 4 en 7 + ( 7 en 10)
2e positie: ontstaan doordat "bluesspelers" graag de drawnotes benden voor het bluesgeluid..in deze positie gebruik je meer drawnotes dan blownotes en daarddor klinkt het al snel blues-achtig.
3e positie: eigenlijk een " mineur variant" van de 2e positie. Doordat je vanaf een andere opening begint ( 1 draw) verschuift de ligging van de bijbehorende akkoorden en klinkt het al snel " mineur" ( lees: treurig).
En zo kun je kiezen voor een posities vanwege gemak/klank/voorkeur.
Natuurlijk kun je , als je alle technieken beheerst, op 1 mondharmonica alle posities spelen. Maar sommige technieken klinken nu eenmaal beter in een bepaalde positie. Zo kun je bijv. een dubbele drawbend op opening 3 en 4 , gespeeld in 2e positie, niet goed nadoen in een andere positie.
Dit is wel een beetje een kort door de bocht verhaal maar in grote lijnen geeft het hopelijk wat duidelijkheid.
In blues wordt naar schatting zo'n 90 tot 95 % van de nummers in 2e positie gespeeld... dus als je twijfelft

Ben Bouman